Door een gelukkig toeval kwam ik kortgeleden weer in intensief contact met middeleeuwse schilderkunst en met de grote schoonheid die ik daarvan opnieuw beleefde. Dat terwijl mijn dagelijkse belangstelling uitgaat naar de abstracte kunst en ik het abstracte daarvan zeker niet ervaar als een belemmering van de schoonheid, integendeel, ik vind dat het me helpt om dichter bij de schoonheid te komen.

Dat vraagt om zelfonderzoek, “zwei Seele in einer Brust”, die moet leiden naar een verklaring waarom dat kan en het elkaar niet in de weg staat.

Voor een grotere duidelijkheid wil ik daar de twee afbeeldingen bij gebruiken die in mijn hoofd de tegenstelling veroorzaken: Een door Bert Biemans ontdekt en beschreven schilderij van Abraham Bloemaert (1564 – 1661) en een recent schilderij van William Manning (1932), die zich wel laat inspireren door de natuur maar deze inspiratie vastlegt in schilderijen die een onwaarschijnlijke maar gelukte combinatie van geometrische en lyrische abstractie zijn.

bloemaert_bidding600x809

389

 

 

 

 

 

 

 

 

Waarom maken beide schilderijen mij gelukkig? Omdat ik bij alle twee schoonheid ervaar. Bloemaert vertelt een verhaal door middel van schoonheid, Manning is schoonheid. Tenminste voor mij is dat zo.

Het verhaal van Bloemaert is het overbekende Kerstverhaal. Alleen door middel van de vorm kan het mij opnieuw interesseren. De onbekendheid van de voorstelling van Manning, dus het volledig nieuwe van het beeld, maakt het voor mij bij voorbaat van belang (nieuwsgierigheid), maar alleen als de vorm ook interessant genoeg blijkt te zijn.

Het blijkt dus in beide gevallen te gaan om de vorm waarin het beeld wordt gepresenteerd. Dat brengt mij terug bij een stelling die ik al dikwijls heb verdedigd: Het belang van de compositie.

Een schilderij, middeleeuws of modern, kan alleen dan goed genoemd worden als het wordt gesteund door een goede compositie. Niet volgens het boekje. Neen, een compositie moet in moderne termen “schuren”, moet intrigeren. Wij denken graag dat dat een moderne uitvinding is.

Maar Francis Bacon (1561 – 1626) formuleerde het in de late Middeleeuwen zo: “There is no excellent beauty that has not some strangeness in the proportion”. Hij gebruikt ook het word ‘strangeness’ en dat duidt op de tweede eis die je aan een werkelijk goed kunstwerk moet stellen: Dat een kunstwerk ook bij analyse iets mysterieus blijkt te hebben, iets onverklaarbaars.

Het lijkt een gemakkelijke uitweg om niet te hoeven verklaren wat onverklaarbaar is. Maar als er niet anders overblijft, is de enige uitweg te erkennen dat het zo is:

x% COMPOSITIE en y% MYSTERIE maken dat een schilderij met  x + y, grote schoonheid uitstraalt.

Advertenties